Bij het plannen van een medische carrière ervaren veel studenten dat sommige richtingen “logischer” lijken dan andere. Hierdoor blijven sommige specialismen onderbelicht. Uit cijfers blijkt dat bepaalde specialismen juist populair zijn en andere juist niet. In deze blog duiken we dieper in deze verschillen.
Wat zeggen de cijfers
Een belangrijk Nederlands onderzoek naar beroepsvoorkeuren onder geneeskundestudenten via het zogenoemde IMBK-instrument laat zien dat de drie populairste vervolgopleidingen zijn: huisartsgeneeskunde, kindergeneeskunde en interne geneeskunde. Een inventarisatie van De Geneeskundestudent in 2023 bevestigde dat huisartsgeneeskunde, interne geneeskunde en kindergeneeskunde jaarlijks bovenaan staan.
Voor specialismen buiten de traditionele ziekenhuiszorg is de belangstelling veel kleiner: verzekeringsgeneeskunde, bedrijfsarts en sociale / publieke gezondheidszorg worden door minder dan 1 % als eerste keuze genoemd. In sommige studies ligt de eerste keuze voor deze specialismen rond de 0,3%.
Dezelfde top drie geldt voor de vrouwelijke studenten. Bij de mannen zien we een klein verschil. Bij hen staat de keuze voor internist op de eerste plaats, huisarts op plek twee en op de derde plaats staat chirurgie.
Wat internationaal populair is
Het Nederlandse patroon is niet universeel. Internationaal zien we dat chirurgie en interne geneeskunde wereldwijd vaak de populairste keuzes zijn. Dat blijkt uit een grootschalige systematische review naar specialismepreferenties door studenten uit allerlei landen.
Uit een recent Pools onderzoek onder 77 specialismen kwam kindergeneeskunde, psychiatrie, huisartsengeneeskunde en anesthesiologie als meest gekozen naar voren.
Internationaal lijken dus drie groepen specialismen (chirurgie, interne geneeskunde en huisarts / eerstelijn) consistent hoog te scoren, terwijl “minder zichtbare” of “achtergrond”-specialismen vaak genegeerd worden.
Waarom kiezen studenten wat ze kiezen?
De voorkeur voor bepaalde specialismen is niet louter toeval: demografische factoren, werk‑privébalans, perceptie van het vak en beeldvorming spelen een grote rol.
Werk‑privébalans en parttime werken
Een invloedrijk Nederlands onderzoek van het RadboudUMC liet zien dat gender én voorkeur voor fulltime of parttime werk de specialismekeuze beïnvloeden. Mannen geven vaker de voorkeur aan fulltime werk en kiezen relatief vaak voor chirurgie. Vrouwen kiezen vaker parttime en kiezen eerder voor huisartsgeneeskunde.
Vrouwen blijken “werk-privé-balans”, “mogelijkheid tot parttime werken” en “werkbare uren” erg belangrijk te vinden. Mannen hechten relatief meer waarde aan “carrièremogelijkheden”, “technische aspecten” en “status”.
Dat verklaart mede waarom huisartsgeneeskunde een pijler is geworden onder vrouwelijke artsen, omdat de combinatie van flexibiliteit én stabiele werkzaamheden hen aanspreekt.
Inhoud van het werk, variatie en patiëntcontact
Uit een IMBK-analyse blijkt dat geneeskundestudenten waardering hebben voor “variatie in werkzaamheden”, “patiëntcontact”, “zekerheid” en “autonomie”.
Dit verklaart waarom “klassieke” klinische specialismen zoals huisarts, interne geneeskunde en kindergeneeskunde aantrekkelijk blijven: ze bieden veel direct, betekenisvol patiëntcontact en een breed scala aan ziektebeelden.
Een onderzoek naar voorkeuren voor psychiatrie in Nederland bevestigt dat vooral aspecten als langdurige patiëntrelaties, psychosociaal werk en communicatieve vaardigheden artsen aantrekken.
Gebrek aan zichtbaarheid & onduidelijk imago
Een andere factor die meespeelt bij weinig populaire specialismen is simpelweg: onzichtbaarheid of onbekendheid. Uit het rapport over “onderbelichte vervolgopleidingen” blijkt dat veel studenten onvoldoende kennis hebben over sociale geneeskunde, bedrijfs- of verzekeringsgeneeskunde om deze serieus te overwegen.
Ook pathologie, nucleaire geneeskunde, luchtvaartgeneeskunde en andere specialistische, weinig “populaire” richtingen worden zelden genoemd.
Gevolgen: tekort aan artsen in bepaalde sectoren
Dat veel studenten kiezen voor dezelfde paar specialismen, en dat andere vrijwel genegeerd worden, heeft concrete gevolgen voor de gezondheidszorg.
- Tekort in onderbezet (maar maatschappelijk nodig) specialismen: Verzekeringsgeneeskunde, bedrijfsgeneeskunde, sociale geneeskunde, ouderengeneeskunde. Allemaal weinig populair, maar maatschappelijk wel belangrijk.
- Disbalans tussen vraag en aanbod: In sommige populaire specialismen is de belangstelling veel groter dan het aantal opleidingsplaatsen. Bijvoorbeeld bij kindergeneeskunde, plastische chirurgie, sportgeneeskunde, spoedeisende geneeskunde, dermatologie en gynaecologie ligt de vraag soms meer dan 3–5 × hoger dan het aanbod.
- Huisartsgeneeskunde verbetert: Gelukkig lijkt huisartsengeneeskunde aan populariteit te winnen. Mede door coschappen en betere zichtbaarheid van het vak. Een onderzoek van UNH laat zien dat 71 % van de studenten overweegt huisarts te worden, en dat affiniteit groeit naarmate de opleiding vordert.
Toch blijft de uitdaging: hoe kunnen we studenten interesseren voor minder populaire maar maatschappelijk cruciale specialismen?
Reflectie: hoe kunnen we balans brengen in de specialismeverdeling?
Als we kijken naar de oorzaken van de huidige verdeling, dan liggen er concrete aanknopingspunten om de verdeling evenwichtiger te maken:
- Meer zichtbaarheid geven aan onderbelichte specialismen. Via voorlichting, coschappen, stages of gastcolleges kunnen bedrijfsgeneeskunde, verzekeringsgeneeskunde, sociale geneeskunde enz. beter op de radar komen. Het gebrek aan kennis is een belangrijk obstakel.
- Flexibiliteit in werkuren promoten. Veel specialismen, ook in het ziekenhuis, kunnen aantrekkelijker worden als parttime of flexibele schema’s mogelijk zijn. Dat zou meer aansluiting kunnen vinden bij de waarden van studenten (zeker vrouwen) voor werk-privébalans.
- Rolmodellen en ambassadeurs actief inzetten. Huisartsdocenten bijvoorbeeld spelen een cruciale rol: het UNH stelt dat zij “ambassadeurs van het vak” zijn. Hun verhalen en praktijkvoorbeelden kunnen doorslaggevend zijn.
- Betrekken van maatschappelijke noden bij studieadvies en beleid. Overheden en opleidingsinstituten zouden de demografische ontwikkeling en zorgbehoefte (vergrijzing, ouderenzorg, preventieve zorg) explicieter kunnen betrekken in carrièrevoorlichting.
Conclusie
Geneeskundestudenten en jonge artsen kiezen niet willekeurig hun specialisme: er is een duidelijke voorkeur voor huisartsgeneeskunde, kindergeneeskunde en interne geneeskunde. Dit wordt gedreven door factoren als patiëntcontact, variatie in werk, werk-privébalans en maatschappelijke betekenis. Tegelijk blijven veel belangrijke specialismen ondergewaardeerd, vaak door gebrek aan zichtbaarheid of onduidelijk beeld.
Wil de medische sector in Nederland in de toekomst voldoen aan de vraag van de maatschappij, dan is het belangrijk dat we deze ongelijkheid actief aanpakken door betere voorlichting, meer (positieve) exposure en een bewust beleid dat oog heeft voor wat de samenleving echt nodig heeft.


Pingback: Diergeneeskunde of Toch Gewoon Geneeskunde? - medischmoment.nl