Coschappen in een academisch én perifeer ziekenhuis: mijn ervaringen als co

Inmiddels heb ik zes coschappen achter de rug. Drie daarvan liep ik in het RadboudUMC, een academisch ziekenhuis, en drie in verschillende perifere ziekenhuizen. Voordat ik begon met coschappen had ik al vaker gehoord dat die twee werelden erg verschillend waren, maar eerlijk gezegd wist ik nooit precies wat mensen daar nou mee bedoelden. Inmiddels begin ik dat steeds beter te begrijpen.

Dus twijfel je waar je het liefst je coschap zou willen lopen of waar je later wilt werken? Of ben je gewoon benieuwd hoe het er achter de schermen aan toegaat? Dan is deze blog voor jou.

ANIOSen en AIOSen

Een van de voornaamste verschillen is hoeveel meer artsen in opleiding er rondlopen in een academisch ziekenhuis. Je hebt daar vaak ANIOSen (basisartsen) en AIOSen (artsen in opleiding tot specialist). Dat heeft voordelen, maar ook nadelen als co-assistent.

Het grootste nadeel is dat er vaak minder voor jou over blijft om te doen. Dit merk je bijvoorbeeld op de OK. Tijdens mijn coschap heelkundige wilde ik het liefst steriel aan tafel staan, hechten, meekijken en iets doen. Alleen als er al drie AIOSen om de tafel staan die zelf ook moeten leren opereren, houdt het een beetje op. Dan sta je als co-assistent toch vaker aan de zijkant. Begrijpelijk natuurlijk, maar soms wel frustrerend.

Tegelijkertijd kunnen ANIOSen en AIOSen juist enorm fijne mensen zijn om mee te werken. Ze staan vaak dichter bij je. Letterlijk omdat ze jonger zijn, maar ook figuurlijk. Ze weten nog wat beter hoe het is om co-assistent te zijn, begrijpen de stress van je eerste presentatie of je eerste keer steriel staan, en zijn daardoor soms laagdrempeliger om vragen aan te stellen dan sommige specialisten.

Al merkte ik ook dat zij vaak nog volop bezig zijn zichzelf te bewijzen. Veel AIOSen draaien lange dagen, werken hard en hebben een behoorlijk volle agenda. Specialisten ogen soms juist relaxter. De drukt lijkt voor hen inmiddels een stuk minder hoog.

De grootte en anonimiteit

Een ander groot verschil is simpelweg de grootte van het ziekenhuis.

Academische ziekenhuizen zijn enorm. Qua oppervlakte, maar dus ook qua personeel. Je haalt daar zonder moeite je dagelijkse stappendoel voordat het lunch is. Alleen merkte ik ook dat hoe groter het ziekenhuis wordt, hoe kleiner de kans wordt dat mensen je naam kennen. Je bent toch sneller “de co-assistent”.

Daar staat tegenover dat je in academische ziekenhuizen vaak met grotere groepen co-assistenten loopt, wat de pauzes juist weer gezellig maakt. Er is bijna altijd wel iemand om mee koffie te halen, samen te klagen over EPIC of HiX of te zoeken naar een vrije computer.

Perifere ziekenhuizen voelen juist kleiner en persoonlijker. Teams zijn compacter, mensen herkennen je sneller en je hebt vaak sneller het gevoel dat je echt onderdeel bent van de afdeling. Tegelijkertijd zijn ze qua apparatuur soms iets minder… futuristisch.

Een grappig voorbeeld hiervan was toen ik na drie coschappen in het RadboudUMC in een perifeer ziekenhuis terechtkwam. Aan het einde van de dag wilde ik netjes mijn mok terugbrengen naar het keukentje. Ik keek even rond en vroeg daarna waar de vaatwasser stond. Mijn collega moest daar behoorlijk hard om lachen. Blijkbaar was ik er onbewust vanuit gegaan dat ieder ziekenhuis op de afdelingen een vaatwasser had staan zoals in het RadboudUMC. Misschien ben ik inmiddels gewoon onbewust verwend geraakt door academische luxe. Nog even en ik raak in paniek als een ziekenhuis geen koffieautomaat met havercappuccino’s heeft.

De patiënten

In een academisch ziekenhuis zie je zóveel complexe casussen. Patiënten met een medische voorgeschiedenis van een halve pagina lang, zeldzame syndromen en second of third opinions waar meerdere ziekenhuizen al naar gekeken hebben. Soms kreeg je een patiënt toegewezen en dacht je eerlijk gezegd: watvoor zinnigs moet ik hier als co-assistent nog over zeggen?

De ziektebeelden waarvan tijdens het onderwijs letterlijk werd gezegd: “Dit hoef je eigenlijk niet te onthouden, want dat ga je waarschijnlijk nooit zien,” kom je daar gegarandeerd een keer tegen.

Gaaf om mee te maken? Absoluut. Heel representatief voor de gemiddelde patiënt die je later ziet? Misschien wat minder.

Daarnaast weten patiënten in een academisch ziekenhuis soms zelf al precies welke aandoening ze mogelijk hebben of welke behandeling ze verwachten. In perifere ziekenhuizen zie je vaker patiënten die gewoon binnenkomen met: “Jij bent de dokter, wat denk je dat ik heb?” Dat laatste vind ik persoonlijk ook wel iets moois en uitdagends hebben.

In academische ziekenhuizen heb je vaak ook veel meer tijd per patiënt. Tijdens mijn coschap interne geneeskunde in het RadboudUMC kregen wij als co-assistenten ongeveer een uur voor een nieuwe patiënt: anamnese afnemen, lichamelijk onderzoek doen, verslag schrijven en vervolgens de patiënt overdragen. In perifere ziekenhuizen ligt het tempo vaak veel hoger. Daar gaat het soms eerder richting vijftien minuten. Eigenlijk leer je van allebei iets anders.

In academische ziekenhuizen leer je ingewikkeld denken. Je leert breed differentiëren, complexe puzzels oplossen en zeldzame ziektebeelden herkennen. In perifere ziekenhuizen leer je snelheid, efficiëntie en hoe de “normale” dagelijkse geneeskunde eruitziet.

Ik denk daarom ook niet dat de één beter is dan de ander. Het zijn gewoon twee compleet verschillende werelden binnen hetzelfde vak.

En juist dat maakt coschappen eigenlijk zo leuk.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven