Hoe werkt de logistiek van co-schappen?

Ik weet nog dat ik tijdens mijn bachelor Geneeskunde eigenlijk maar een heel vaag beeld had van de coschappen. Je wist dat ze eraan kwamen, dat ze belangrijk waren en dat je op een gegeven moment ineens de hele dag in een ziekenhuis zou rondlopen. Maar hoe je daar precies terechtkomt, wanneer je mag beginnen en hoeveel je zelf te kiezen hebt? Geen flauw idee.

Dus voor de student die alvast een beetje wil weten waar hij of zij straks aan toe is, of voor de nieuwsgierige lezer die zich afvraagt hoe dat hele coschappencircus eigenlijk geregeld wordt: hierbij wat uitleg. In ieder geval over hoe het bij de Radboud Universiteit in Nijmegen gaat.

Bij de Radboud Universiteit, en enkele andere universiteiten, is het op dit moment nog zo dat er een wachttijd kan zitten tussen het afronden van je bachelor en het daadwerkelijk starten met de master en de coschappen. Toevallig is het nu in het nieuws dat studenten in Rotterdam grote geldbedragen beiden voor elkaars plekken. Dat was bij ons gelukkig niet het geval.  Wanneer je een bepaald tentamen uit het derde jaar hebt gehaald, mag je meedoen aan het eerstvolgende lotingsmoment voor de masterplekken. Volgens mij zijn die lotingen ongeveer vier keer per jaar.

Toen ik mee mocht loten, lagen de mogelijke startmomenten best ver uit elkaar. De eerste groepen begonnen ongeveer een half jaar later, terwijl je bij de laatste opties bijna een jaar moest wachten.

Het systeem had bepaald dat ik als een van de laatsten mijn voorkeur mocht doorgeven. Dat vond ik jammer gezien ik zo snel mogelijk wilde beginnen. Maar uiteindelijk was er helemaal geen man overboord, want best veel studenten wilden juist wat later starten. Even reizen, werken, geld verdienen of gewoon nog een tijdje genieten van het niet om 06:15 uur in het donker naar een ziekenhuis hoeven te fietsen.

Ik kreeg alsnog een van de eerste startmomenten.

Iedereen dezelfde route

Als je eenmaal begonnen bent, zit er in Nijmegen behoorlijk wat structuur in. Alle coassistenten doorlopen de coschappen namelijk in dezelfde volgorde. Iedereen begint met interne geneeskunde, daarna neurologie, psychiatrie, heelkunde enzovoort.

Dat is niet bij iedere universiteit zo.

In Maastricht werken ze, voor zover ik weet, bijvoorbeeld meer met grotere blokken. Denk aan een snijdend blok, een blok met onder andere gynaecologie en kindergeneeskunde en een sociaal blok. Niet iedereen doorloopt deze blokken in dezelfde volgorde.

Even terug de schoolbanken in

Tussen onze coschappen zitten steeds een aantal weken onderwijs. Je gaat dus niet op vrijdag voor het laatst naar neurologie om maandagochtend ineens op de OK te staan en maar te hopen dat je ongeveer weet wat een galblaas is.

De onderwijsweken bestaan uit een nablok en een voorblok.

Tijdens het nablok kijk je terug op het coschap dat je net hebt gehad. Je reflecteert op wat je hebt meegemaakt, bespreekt situaties uit de praktijk en rondt het coschap als het ware af.

Daarna volgt het voorblok. Daar krijg je alvast onderwijs over het specialisme dat eraan komt. De belangrijkste ziektebeelden, onderzoeken en dingen waarvan iedereen hoopt dat je ze een beetje kent voordat je op dag één naast een arts staat.

Persoonlijk vind ik dat wel fijn. Je komt alsnog genoeg dingen tegen waarvan je denkt: hebben we dit ooit gehad? Maar je begint in ieder geval niet helemaal vanaf nul.

Veel andere universiteiten hebben geen onderwijsweken, maar elke week een vaste onderwijsdag. Dan loop je dus 4 dagen per week co-schap.

En waar kom je dan terecht?

Tijdens die onderwijsweken wordt ook bepaald waar iedereen het volgende coschap gaat lopen.

Op de eerste maandagochtend krijgen we een lijst in onze mail met alle beschikbare plekken. Daarop staat bijvoorbeeld hoeveel studenten er naar het Radboudumc kunnen, hoeveel naar andere ziekenhuizen in de regio en hoeveel naar plekken die nét iets minder leuk klinken als je Google Maps opent.

Die plekken verdelen we vervolgens onderling.

Er is een systeem waarbij steeds iemand anders vroeg mag kiezen. De ene keer zit je goed en zeg je: “Doe mij Nijmegen maar.” De volgende keer kijk je naar de overgebleven plekken en denk je ineens: waar ligt dit eigenlijk?

Zo heb ik behoorlijk wat coschappen relatief dicht bij huis kunnen lopen, maar moest ik ook een keer naar Roermond. Vanuit Nijmegen ben je dan al snel 3+ uur per dag aan het reizen. En het grappige is: juist dat werd mijn favoriete coschap.

Achteraf zegt de afstand of het ziekenhuis dus ook niet altijd zoveel over hoe leuk een coschap uiteindelijk wordt. Soms is juist de plek waar je vooraf het minst enthousiast over bent degene waar je de leukste begeleiding krijgt, het meeste mag doen of ineens ontdekt dat je een bepaald specialisme veel interessanter vindt dan gedacht.

Later krijg je wat meer vrijheid

Richting het einde van de master wordt de planning gelukkig wat vrijer. Bij je laatste coschappen is er meer ruimte om bewust te kiezen voor een plek of specialisme waar je interesse in hebt. En tegen die tijd is dat ook een stuk makkelijker.

Aan het begin van je bachelor heb je misschien een heel duidelijk idee van wat je later wilt worden, gebaseerd op één college, een ziekenhuisserie of die ene arts die je ooit hebt ontmoet. Na een paar jaar coschappen weet je veel beter hoe het dagelijkse werk er daadwerkelijk uitziet. En soms kom je er juist achter dat dat specialisme waarvan je al jaren roept dat je het wilt doen helemaal niet zo leuk is als je dacht.

Hopelijk heb je zo een wat beter beeld gekregen van de logistiek achter de coschappen en hoe de verdeling (in Nijmegen) ongeveer werkt. 

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven