Reflexen In De Geneeskunde: Type Reflexen en Hoe Ze Werken
Reflexen vormen een van de meest basale, maar tegelijk meest informatieve functies van het zenuwstelsel. Ze bieden directe toegang tot de werking van perifere zenuwen, het ruggenmerg en de invloed van hogere motorische centra. Voor medisch studenten zijn reflexen daarom niet alleen een fysiologisch concept, maar ook een belangrijk diagnostisch instrument. In deze blog bespreken we reflexen vanuit hun fysiologische basis, hun rol in de motorische controle en hun betekenis in het klinisch neurologisch onderzoek.
Wat zijn reflexen en waarom zijn ze klinisch relevant?
Een reflex is een snelle, onwillekeurige en stereotype motorische reactie op een specifieke prikkel. Het karakteristieke van een reflex is dat de respons grotendeels onafhankelijk is van bewuste controle en zeer consistent optreedt bij herhaalde prikkeling. Juist deze voorspelbaarheid maakt reflexen klinisch waardevol: afwijkingen in reflexen wijzen vaak direct op neurologische pathologie.
Reflexen kunnen op verschillende manieren worden ingedeeld. Zo onderscheiden we reflexen op basis van het aantal synapsen (monosynaptisch versus polysynaptisch), op basis van het niveau waarop ze verlopen (spinaal, hersenstam of supraspinaal), en op basis van het type receptor dat geactiveerd wordt. Volgens de klassieke indeling van Sherrington spreken we van exteroceptieve reflexen (uitgelokt door prikkels van het lichaamsoppervlak), interoceptieve reflexen (uitgaande van inwendige organen) en proprioceptieve reflexen, die hun oorsprong vinden in het bewegingsapparaat.
Voor de klinische praktijk zijn met name de spinale proprioceptieve en exteroceptieve reflexen van groot belang, omdat zij informatie geven over de functionele toestand van het ruggenmerg en de perifere zenuwen.
De reflexboog als functionele eenheid
Elke reflex verloopt via een vaste anatomisch-functionele structuur: de reflexboog. Deze bestaat uit een receptor die de prikkel detecteert, een afferente zenuwvezel die de informatie naar het centrale zenuwstelsel geleidt, een schakeling in het ruggenmerg of de hersenstam, een efferente zenuwvezel en ten slotte een effector, meestal een skeletspier.
Een normaal verlopende reflex impliceert dat alle onderdelen van deze boog intact zijn. Wanneer een reflex verzwakt of afwezig is, duidt dit meestal op een stoornis binnen de reflexboog zelf, bijvoorbeeld door perifere zenuwschade of een laesie in het ruggenmerg. Overmatige reflexactiviteit daarentegen wijst vaak op verlies van supraspinale inhibitie, zoals bij een centraal motorneuronletsel.
Proprioceptie en kinestesie: sensorische basis van motoriek
Doelgerichte en gecoördineerde beweging is alleen mogelijk wanneer het zenuwstelsel beschikt over betrouwbare informatie over de stand, lengte en spanning van spieren. Deze informatie wordt geleverd door het proprioceptieve systeem. De bewuste waarneming hiervan noemen we kinestesie: het vermogen om te weten waar onze ledematen zich bevinden zonder visuele feedback.
Binnen het spier-peesapparaat spelen twee receptortypen een centrale rol. Spierspoeltjes, gelegen parallel aan de extrafusale spiervezels, registreren de lengte van de spier en veranderingen daarin. Zij zijn bijzonder gevoelig voor rek en vormen de sensorische basis van de rekreflex. Golgi-peeslichaampjes, die in serie liggen met de spiervezels, meten de spanning in de pees en reageren vooral op actieve spiercontractie.
Deze proprioceptieve informatie wordt enerzijds doorgestuurd naar hogere sensorische centra voor bewuste perceptie, maar wordt anderzijds direct gebruikt in spinale reflexcircuits die bijdragen aan houding, spiertonus en stabiliteit.
De myotatische reflex: fundament van spiertonus en houding
De myotatische reflex, ook wel rekreflex genoemd, is de eenvoudigste en klinisch meest onderzochte spinale reflex. Wanneer een spier plotseling wordt uitgerekt, zoals bij het aanslaan van een pees met de reflexhamer, worden de spierspoeltjes geactiveerd. Via snelle type Ia- en type II-afferente vezels wordt deze informatie naar het ruggenmerg geleid, waar zij monosynaptisch schakelt op het α-motorneuron van dezelfde spier.
Het resultaat is contractie van de uitgerekte spier, waardoor verdere rek wordt tegengegaan. Deze reflex speelt een cruciale rol bij het handhaven van houding en het automatisch corrigeren van onverwachte verstoringen. Zonder rekreflex zouden we voortdurend bewust onze spierlengte moeten bijsturen om rechtop te blijven staan.
Bij de regulatie van spierlengte wordt onderscheid gemaakt tussen een dynamische rekreflex, die vooral reageert op snelle veranderingen in spierlengte, en een statische rekreflex, die informatie geeft over de absolute spierlengte. Deze worden respectievelijk gemedieerd door verschillende typen spierspoelvezels en afferente banen.
De inverse myotatische reflex: bescherming tegen overbelasting
Naast de rekreflex bestaat er een tweede belangrijke proprioceptieve reflex: de inverse myotatische reflex. Deze reflex wordt geactiveerd wanneer de spanning in een spier te groot wordt. De stimulus wordt geregistreerd door de Golgi-peeslichaampjes, waarvan de afferente type Ib-vezels in het ruggenmerg schakelen via inhibitoire interneuronen.
In tegenstelling tot de rekreflex leidt deze reflex niet tot contractie, maar juist tot ontspanning van de homonieme spier. Hiermee vormt zij een beschermingsmechanisme tegen overmatige belasting en mogelijke spierschade. Tegelijkertijd worden antagonistische spieren via reciproke innervatie juist gefaciliteerd.
Exteroceptieve reflexen: de terugtrekreflex en gekruiste extensiereflex
Wanneer nociceptoren in de huid worden geactiveerd, bijvoorbeeld door een scherpe of hete prikkel, ontstaat een terugtrekreflex. Deze reflex is polysynaptisch en verloopt via meerdere segmenten van het ruggenmerg. De pijnprikkel activeert interneuronale netwerken die leiden tot contractie van flexoren en inhibitie van extensoren in het aangedane lidmaat, waardoor dit snel wordt teruggetrokken.
Bij prikkeling van een onderste extremiteit treedt vrijwel gelijktijdig de gekruiste extensiereflex op. Hierbij worden aan de contralaterale zijde juist de extensoren geactiveerd en de flexoren geremd. Deze reflex zorgt ervoor dat het lichaamsgewicht wordt overgenomen door het andere been, zodat de balans behouden blijft.
Alfa- en gamma-innervatie en het ontstaan van spiertonus
Spiertonus is geen passieve eigenschap van spieren, maar het resultaat van een nauwkeurige afstemming tussen α- en γ-motorneuronen. Terwijl α-motorneuronen de extrafusale spiervezels innerveren en kracht genereren, reguleren γ-motorneuronen de gevoeligheid van de spierspoeltjes.
Tijdens vrijwillige beweging treedt alfa-gamma coactivatie op. Hierdoor blijven de spierspoeltjes ook tijdens spierverkorting gevoelig voor rek, wat essentieel is om reflexmatige correcties mogelijk te maken zonder dat deze de vrijwillige beweging verstoren.
Klinische interpretatie van reflexafwijkingen
Reflexonderzoek levert waardevolle informatie over zowel perifere als centrale motorische systemen. Een verminderde of afwezige reflex wijst meestal op een onderbreking van de reflexboog, zoals bij perifere neuropathie of acute ruggenmergschade. Een overmatige reflex, vaak gecombineerd met clonus, duidt op verlies van inhiberende invloed vanuit hogere motorische centra.
Bij verhoogde spiertonus is het onderscheid tussen spasticiteit en rigiditeit klinisch essentieel. Spasticiteit is snelheidsafhankelijk en kenmerkend voor centraal motorneuronletsel, terwijl rigiditeit niet snelheidsafhankelijk is en typisch optreedt bij aandoeningen van de basale ganglia, zoals de ziekte van Parkinson.
Conclusie
Reflexen vormen een venster op de werking van het zenuwstelsel. Ze verbinden sensoriek en motoriek, automatische regulatie en klinische diagnostiek. Voor medisch studenten is een goed begrip van proprioceptieve en exteroceptieve reflexen, spierreceptoren en hun regulatie essentieel om neurologische aandoeningen te herkennen en te begrijpen. Correct uitgevoerd en geïnterpreteerd reflexonderzoek blijft daarmee een van de krachtigste tools van de clinicus.
